Hoe begin ik met Rechtrichten?

Reageer als eerste »

Hoe gaan we rechtrichten?

Over het algemeen wordt rechtrichten verward het rechtuit rijden. Maar het rechtrichten zoals wij dat gebruiken is juist het tegenovergestelde. Wij rechten recht door buigingsarbeid. Door het rechtrichtende buigingsarbeid komt het paard symmetrisch in zijn lijf en in zijn bewegingen.

Onder de rechtrichtende buigingsoefeningen verstaan we de volgende oefeningen

  • voltes (en slangevoltes);
  • schouderbinnenwaarts (en schoudervoor);
  • travers;
  • renvers;
  • appuyeren;
  • werkpirouette.

Hierbij werken we achtereenvolgend aan de volgende elementen:

  1. lengtebuiging;
  2. voorwaarts neerwaarts;
  3. ondertreden;
  4. buiging binnenachterbenen;
  5. buiging buitenachterbenen;
  6. buiging beide achterbenen beurtelings (piaf, passage);
    Voor de hogere rijkunst komt daar nog bij:
  7. buiging van beide achterbenen tegelijkertijd (levade);
  8. buiging van beide achterbenen tegelijkertijd met daaraan toegevoegd de veerkracht (hoge schoolsprongen).

 

De rechtrichtende buigingsoefeningen die wij gebruiken, zowel aan de hand als rijdend, zijn:

a. schouderbinnenwaarts,    b. travers         c. renvers                        d. appuyeren

 

Deze zijgangen zijn geen doel op zich. Het is rechtrichtende buigingsarbeid dat een een middel is die leidt tot het doel: een soepel, buigzaam en wendbaar en bovenal rechtgericht paard dat symmetrisch is ontwikkeld in lijf en ledematen.

De rechtrichtende buigingsoefeningen geven weer ”hoe” u het paard kunt rechtrichten.

 

Als een zijgang niet correct gereden wordt, uit zich dat meteen in de hoofd-hals-houding:

  • Het paard kruipt achter de teugel
  • Het paard rolt of krult zich op in de hals
  • Het paard gaat als het ware op zijn kop lopen en gaat veel te diep lopen.
  • Het paard wordt kort in de hals.
  • De neus komt achter de loodlijn.
  • De nek is niet meer het hoogste punt.
  • Het paard voelt heel licht aan doordat het geen verbinding neemt.
  • Het kan ook juist voorkomen dat het paard tegen de hand gaat lopen.
  • En stug en stijf aan gaat voelen in de mond.
  • Zijn onderhals aanspant.
  • Niet meer wil nageven.

Om de zijgangen correct te kunnen uitvoeren is de LVO (= Lengtebuiging met een Voorwaartsneerwaartse tendens en een Ondertredend achterbeen) De volte is de eerste oefening van het rechtrichten die aan deze voorwaarden moet voldoen.

1. Lengtebuiging

De eerste stap is het paard gelijkmatig te laten inbuigen naar links en naar rechts. Met lengtebuiging wordt bedoeld de zoveel mogelijk gelijkmatige en doorgaande zijdelingse welving in de wervelkolom van de 1e halswervel tot de laatste staartwervel.De volte is hier een goede oefening voor. Door de korte spieren te rekken en de lange spieren te laten aanspannen, kan het paard op beide zijdes de juiste lengtebuiging aannemen en de volte kogelrond lopen.

 

2. Ondertreden

Als het paard zich correct laat inbuigen, komt de binnenheup van het paard naar voren, zodat het binnenachterbeen onder de massa c.q. het zwaartepunt geplaatst wordt.

Bij correcte buiging komen de binnenachterbenen dichter naar elkaar toe en de buitenkant van het paard rekt en strekt zich, de binnenkant spant zich aan.

 

3. Voorwaarts neerwaarts

Door het stretchen van de buitenkant van het lichaam, wordt de rugspier aan die kant lang. Een lange rugspier kan het hoofd niet omhoog houden, waardoor het paard zijn hals als ware laat “vallen”. Als het paard zijn rug los laat, kan het paard zijn hals voorwaarts neerwaarts laten zakken.

 

 

4. Buiging binnenachterbeen (schouderbinnenwaarts)

 

 

 

 

 

Het paard kan zich nu zowel op de volte als op de rechte lijn met buiging bewegen.
Door de lengtebuiging nu te vergroten komen we vanzelf in de schouderbinnenwaarts

Schouderbinnenwaarts wordt meestal gereden op drie sporen. In de klassieke rijkunst wordt hij echter ook op vier sporen gereden, waarbij de voorhand op de binnenhoefslag loopt en de achterhand op de buitenhoefslag. De lengtebuiging is hierbij beduidend groter.

WAT IS SCHOUDERBINNENWAARTRS?
Het paard loopt met stelling en lengtebuiging in voorwaarts zijwaartse richting; het buitenachterbeen loopt in het eerste spoor – het tweede spoor wordt gevormd door het binnenachterbeen en buitenvoorbeen – het binnenvoorbeen loopt in het derde spoor.

De oefening schouderbinnenwaarts wordt in de Academische Rijkunst gezien als dé oefening die alle rijkunstige problemen op zou kunnen lossen. (ook wel de aspirine van de dressuur genoemd, of de hoeksteen van de dressuur)
Doordat alle oefeningen in de Academische Rijkunst eerst aan de hand worden aangeleerd, kan het paard de oefening onder de ruiter veel makkelijker leren en uitvoeren.
Door de oefening in een zeer langzame stap aan te leren, zowel aan de hand als rijdend, leert het paard zijn benen bewust te plaatsen.

DE HULPEN

Bij de schouderbinnenwaarts wordt gebruik gemaakt van de “versale” hulpen (binnenbeen – buitenteugel).

Het paard heeft al geleerd zich in de goede lengtebuiging te bewegen waardoor hij dus aan de buitenteugel is.

  • de buitenteugel wordt nu tegen de hals gelegd en leidt de schouders naar binnen.
  • het binnenbeen van de ruiter ligt op de singel en drijft op het moment dat het binnenachterbeen opgetild wordt. Op die manier wordt het paard uitgenodigd dit achterbeen meer onder de massa te brengen.
  • de ruiter zijn binnenzitbeenknobbel wordt vermeerderd belast, zodat de spieren aan de buitenzijde ontlast worden en zich kunnen rekken.
  • De spieren aan de binnenzijde worden geanimeerd zich vermeerderd aan te spannen.
  • de binnenteugel is van de hals en onderhoudt de stelling
  • het buitenbeen van de ruiter ligt achter de singel en voorkomt het uitzwaaien van de achterhand.
  • het zwaartepunt van de ruiter, dat zich diep in zijn buik bevindt, verplaatst zich rechtuit in de richting van de beweging.
  • de schouders van de ruiter zijn parallel aan de schouders van het paard (dus ook het hoofd)
  • de heupen van de ruiter zijn parallel aan de heupen van het paard.

 

5. Buiging  buitenachterbeen(travers)

 

 

 

 

 

 

 

 

Tijdens de schouderbinnerwaarts en travers heeft het paard dezelfde buiging, alleen tijdens de schouderbinnenwaarts brengt het paard zijn binnenachterbeen naar het zwaartepunt en tijdens de travers brengt hij zijn buitenachterbeen naar het zwaartepunt. Maar lengtebuiging, de buiging van staart tot neus blijft dus eigenlijk hetzelfde!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De travers is verder een goede basis en voorbereiding op de pirouette, het appuyement en de galopwissel:

  • Als de travers op een steeds kleinere volte gereden wordt, dan onstaat een pirouette.
  • Als de travers op de diagonaal gereden wordt, ontstaat het appuyement.
  • Als het paard in galop van links travers naar rechts travers gesteld wordt, ontstaat de galopwissel.

De renvers, het appuyeren en (werk)pirouettes zijn van de travers afgeleid en vallen ook onder de rechtrichtende buigingsarbeid.

Het paard heeft door de schouderbinnenwaarts zijn beide binnenachterbenen getraind.
Dan wordt het nu tijd om zijn beide buitenachterbenen te trainen.
Door middel van de travers wordt het paard gevraagd zijn buitenachterbeen onder het zwaartepunt te plaatsen, te belasten en daardoor te buigen.

WAT IS TRAVERS?

  • De travers is een oefening op twee hoefslagen en kan net als de schouderbinnenwaarts op 3 of 4 sporen gereden worden.
  • Bij de travers treedt het buitenachterbeen onder de massa en wordt tot dragen gebracht
  • het paard kijkt in de richting waar hij naar toe gaat
  • bij de travers treden de buitenbenen voor de binnenbenen langs
  • bij de travers is de achterhand naar binnen gedraaid.

WAAROM EEN TRAVERS?

  • het verbetert de lengtebuiging
  • de binnenschouder krijgt meer schoudervrijheid
  • het verbetert de bewustwording van de benen.

DE TRAVERS LEGT DE BASIS VOOR DE:

  • (arbeids- of werk)pirouette. Door op een steeds kleinere volte een travers te rijden, ontstaat een pirouette;
  • het appuyement. Een travers gereden op de diagonaal heet een appuyement;
  • de galopwissel. Door in galop van de linker travers naar de rechter travers te wisselen, brengt de galopwissel tot stand.

De travers is verder een goede basis en voorbereiding op de pirouette, het appuyement en de galopwissel:

  • Als de travers op een steeds kleinere volte gereden wordt, dan ontstaat een pirouette.
  • Als de travers op de diagonaal gereden wordt, ontstaat het appuyement.
  • Als het paard in galop van links travers naar rechts travers gesteld wordt, ontstaat de galopwissel.

De renvers, het appuyeren en (werk)pirouettes zijn van de travers afgeleid en vallen ook onder de rechtrichtende buigingsarbeid.

 5a. Renvers

 

5b. Appuyement

5c. Werkpirouette

 

6. Buiging beide achterbenen(piaff en Levade)

Piaff

 

       Levade