Rechtrichten

Reageer als eerste »

Van nature is een paard niet gemaakt om op te rijden. Het paard functioneert goed als vluchtdier; hij kan in korte tijd hoge snelheid afleggen en hij is van nature een gras eter. Dit betekend dat het paard zijn achterbeen gebruikt als stuwende benen, om zo op snelheid te komen.

Als grazer betekend dat het paard meer gewicht draagt met zijn voorbenen dan met zijn achterbenen.

Lichamelijk gezien zijn dit geen ideale omstandigheden om (later) een ruiter te dragen.

Door het rechtrichten maken we het paard lichamelijk sterk, hij komt in balans waardoor hij met gemak ons kan dragen in alle gangen. Omdat het paard lichamelijk sterk wordt gaat hij ook mentaal groeien. Het paard krijgt zelfvertrouwen omdat hij zich goed voelt.

Een praktijkvoorbeeld is mijn paard Schweppes.

 

2005 2010

2006 2010

Schweppes kwam op De Maesberg in 2005 via Paarden begrijpen. Hij was toen door particulieren overgenomen van een manege uit de Ardennen. Schweppes was volledig afgestompt, wilde geen pas meer verzetten, was erg traag, tegendraads en bokkerig. Hij straalde alles uit behalve zin in het leven. Door het rechtrichten is Schweppes lichamelijk en daardoor ook mentaal, in balans gekomen. In 2009 heb ik met Schweppes de Squiertest in de Academische Rijkunst afgelegd.

Een paard dat niet rechtgericht is, d.w.z. uitgebalanceerd is, het gewicht over zijn 4 benen kan verdelen en symmetrisch ontwikkeld is, kan tegen de onderstaande ongemakken aanlopen:

  • ongelijke aanleuning
  • niet nageeflijk
  • het ’vastpakken’ van het bit aan een kant
  • zwaar op de hand
  • de teugels als vijfde been gebruiken
  • het hoofd kantelen
  • schudden met hoofd
  • tandenknarsen
  • niet willen halsstrekken
  • in de verkeerde galop aanspringen
  • overkruist aanspringen
  • telgang in stap
  • niet vierkant halt kunnen houden
  • scheef achterwaarts gaan
  • oefening wel de ene kant op kunnen uitvoeren en niet op de andere hand
  • kijkerigheid
  • ongewenst versnellen
  • dribbelen
  • flegmatiek, stroperig lopen
  • de ruiter niet laten doorzitten
  • moeite met afwenden
  • het over de binnenschouder vallen op de linkerhand door het niet willen buigen
  • het over de buitenschouder vallen, door de overmatige stuwkracht van het binnenachterbeen
  • weinig schoudervrijheid
  • korte passen
  • taktfouten
  • teugelkreupel
  • onregelmatigheid
  • kreupelheid
  • (klinisch) hoefkatrol
  • kissing spines
  • staken, bokken, steigeren

De twee belangrijkste oorzaken zijn:

1. rugspanning 2. Overbelasting van de voorhand

Door de natuurlijke scheefheid                                           Door de stuwende achterbenen

maakt het paard zijn bovenlijn                                            draagt het paard meer gewicht op

kort en stug en zijn buikspieren                                          de voorhand met alle lichamelijke

slap.                                                                                           consequenties van dien.

 

Welke scheefheden bestaan er ?

Alle paarden zijn van nature scheef, asymmetrisch. Maar ook daarin zijn ze niet allemaal hetzelfde. De volgende scheefheden kan je bij je paard tegen komen:

  1. Laterale scheefheid
  2. Horizontale scheefheid
  3. Scheefheid voor
  4. Scheefheid achter
  5. Scheefheid voor/achter
  6. Diagonale scheefheid
  7. Verticale scheefheid
  8. Onder /boven

 

1. Laterale scheefheid

Een linksgebogen paard zal zich gemakkelijk laten inbuigen naar links en moeilijker naar rechts. Een heel duidelijk symptoom van een linksgebogen paard is, dat het paard makkelijk linksom loopt in de rijbaan en moeilijker rechtsom, zoals hier ook te zien is op de logeer foto’s.

(Z-Nolinde 2009)

Het stuwende binnen achterbeen kan bij een linksgebogen paard, die rechtsom op de volte loopt, niet onder de massa treden waardoor er onbalans ontstaat in het paard. Bokken en versnellen kan daar een vervolg van zijn. Laten we hetzelfde paard linksom op de volte lopen dan kan zij zichzelf prima in balans houden. Het dragende binnenachterbeen komt keurig naar het zwaartepunt toe.

De laterale scheefheid is de natuurlijke buiging in de wervelkolom, van nek tot start, naar links of naar rechts. Het paard op de tekening is een linksgebogen paard.

Kenmerken van een linksgebogen paard zijn:

  • Het paard zal zich makkelijker laten inbuigen naar links en lastiger naar rechts. Het paard loopt dus makkelijker linksom dan rechtsom.
  • Door de lange, bolle kant lijkt het verder of het paard het bit aan de rechterkant vastpakt en het bit aan de linkerkant niet wil aannemen.
  • Door de slap gespierde rechterkant, kan het voor komen dat het zadel naar rechts gaat liggen en dat de ruiter naar rechts zakt en scheef komt te zitten.
  • · Doordat de buik van het paard meer naar rechts bolt, loopt het paard tegen het rechterbeen van de ruiter aan.

Voor het rechtsgebogen paard gelden deze kenmerken natuurlijk andersom!

Er gaan verschillende theorieën de ronde over waarom de meeste paarden lateraal gebogen zijn:

  • De ligging van het veulen in de baarmoeder bepaald de laterale buiging.
  • Vele handelingen gebeuren al eeuwenlang links van het paard, zoals het zadelen, opstijgen en afstijgen, waardoor de meeste paarden linksgebogen zijn.
  • De ongelijke beheersing van lichaam en ledematen komt, doordat alle bewegingen een bepaald doel hebben en altijd op dezelfde manier uitgevoerd worden, zodat ze instinctief worden. Een bepaalde actie produceert altijd dezelfde beweging. Tijdens de groei past het lichaam zich aan de uitvoering van bepaalde instinctieve bewegingen en ontwikkelt daarom ongelijk.
  • De meeste mensen zijn rechtshandig en trainen het paard daardoor te eenzijdig, waardoor het paard scheef getraind wordt.
  • Ruiters versterken vaak de natuurlijke buiging die het paard zelf neemt door onbewust hun lichaamsgewicht te verleggen naar één bepaalde kant van het paard, zodat de ruiter scheef komt te zitten zoals op de foto te zien is. Hierdoor gaat het paard steeds schever lopen.
  • Alle mensen en dieren hebben een tendens om in cirkels te bewegen als ze geblinddoekt zouden zijn of geen punten van oriëntatie zouden hebben. Dus jonge dieren die op onderzoek uit gaan, lopen door de natuurlijke scheefheid ongemerkt in een cirkel, zodat ze altijd weer bij de groep uitkomen. het cirkelen is de oorzaak van de ongelijke spierontwikkeling, Het ”cirkel instinct” is de oorzaak van de ongelijke spierontwikkeling.

2. Horizontale scheefheid.


De horizontale scheefheid wil zeggen dat het paard meer gewicht op de voorhand draagt dan met de achterhand. Mede door het gewicht van de hals en het hoofd, worden de voorbenen zwaarder belast dan de achterbenen. Paarden dragen van nature 3/5 van het gewicht op de voorhand en 2/5 op de achterhand.  Een gemiddeld paard weegt ongeveer 500 kilo, dat betekend dat hij 300 kilo met zijn voorbenen draagt en 200 kilo met zijn achterbenen.

Deze natuurlijke horizontale scheefheid is ideaal voor het paard om te grazen. Het hangt als het ware in zijn schouders en kan zich zo makkelijk al grazen voort laten bewegen. Maar het zal duidelijk zijn dat een paard die zijn gewicht draagt met zijn schouders geen ideaal rijpaard is.

Het paard zal:

–       hangen in de teugels,

–       vaak struikelen

–       minimale schoudervrijheid hebben

–       meer kans hebben op blessures (bv. hoefkatrol ontsteking)

3. Scheefheid voorbenen.

Door de scheefheid in de voorhand heeft het paard de voorkeur gekregen om links of rechtshandig te oriënteren. Paarden die zich rechtshandig hebben georiënteerd  zijn met hun rechtervoorbeen sterker dan met hun linkervoorbeen.

In de natuur is het handig om links of rechtshandig te zijn. Het paard hoeft zo niet na te denken met welk been hij eerst zal vertrekken als er direct gevaar dreigt. Hij zal altijd in zijn voorkeur galop vertrekken.

Vaak is het zo dat linksgebogen paarden rechtshandig zijn en rechtsgebogen paarden linkshandig.

4. Scheefheid achter.

De asymmetrie in de achterbenen bestaat uit het verschil in stuwen en dragen.

Elk paard heeft van nature een meer stuwend en een meer dragend achterbeen.

Op deze foto zie je het verschil tussen stuwen en dragen. Het been met de rode pijl is het stuwende been, die met de groene pijl het dragende been.

Schweppes 2006                                              Schweppes 2008

Het achterbeen beweegt zich                                                                                     Het achterbeen beweegt zich vanuit de loodlijn

vanuit de loodlijn naar                                                                                                naar voren en het paard brengt zijn achterbeen

achteren en stuwt voornamelijk                                                                               meer onder de massa. Zijn gewrichten zijn gebogen

zonder te dragen.                                                                                                         soepel.

Theorieën

Diverse professionele paarden mensen en grootmeesters hebben verschillende gedachten over welk been nu meer dragend is en welk meer stuwend.

Neem een linksgebogen paard:

  1. Theorie 1 is dat het linkerachterbeen meer stuwt en het rechterachterbeen meer draagt.
  2. Theorie 2 is dat het rechterachterbeen meer stuwt en het linkerachterbeen meer draagt.
  3. Theorie 3 is dat het rechterachterbeen stuwt en draagt en dat het linkerachterbeen het zwakst is.

 

Theorie 1.                                                                         Theorie  2. © Schöneich – ARR : © Philippe Karl

 

 

In beide theorieën komt er meer gewicht op het rechtervoorbeen door het betreffende stuwende achterbeen.

5. Scheefheid voor en achter.


 

Het lijkt of het paard de vorm van een driehoek heeft; de achterhand van het paard is breder dan de voorhand. De heupen zijn breder dan de schouders.

Daarnaast loopt het paard van nature enigszins scheef t.o.v. de achterhand.

 

6. Diagonale scheefheid.



Door alle andere scheefheden vindt er in beweging een diagonale verschuiving van het zwaartepunt plaats.

Het paard loopt als het ware al een krab, hij verplaats zich zijdelings omdat het ene achterbeen meer stuwt en de andere meer draagt. Hij duwt het gewicht richting het schuin tegenoverliggende voorbeen. Hierdoor legt het paard meer gewicht op het ene dan op het andere voorbeen.

Een symmetrisch paard zou op alle vier de benen evenveel gewicht dragen. Een linksgebogen paard draagt echter meer gewicht op zijn voorhand en wel het meest op zijn rechtervoorbeen wordt veelal aangenomen.

NB. Op het plaatje staat het verschil ter voorbeeld in kilogram uitgedrukt ter verduidelijking. De precieze kilo verdeling is per paard verschillend.

De diagonale scheefheid is het beste te zien op de volte. Als een diagonale scheefheid niet opgelost wordt, dan zal het paard achter het zwaartepunt  aan lopen. Het paard zal dan als gevolg over de schouder vallen.

 

Over de buitenschouder vallen:  ”centrifugale krachten”

Een rechtsgebogen paard op de rechterhand zal door de diagonale scheefheid over de buitenschouder kunnen vallen, door het zwaartepunt wat linksvoor ligt. Het paard stuwt met zijn binnenachterbeen het gewicht naar het buitenvoorbeen.

Door de middelpuntvliegende kracht heeft het paard de neiging om de volte steeds groter te maken.

 

 

Op de binnenschouder vallen: ”schaarkrachten”

Een linksgebogen paard op de rechterhand zal naar binnen kunnen vallen door het zwaartepunt dat juist op rechtsvoor ligt.

 

 

 

 

7. Verticale scheefheid

 

 

Door de verschuiving van het zwaartepunt kan het paard scheef t.o.v. de grond komen te lopen.

 

 

 

Stel dat het paard 500 kilo weegt, waarbij hij 300 kilo op zijn voorbenen draagt en 200 op zijn achterbenen. Als het paard verticaal niet in evenwicht is zal het paard bv. 200 kilo op zijn rechter voorbeen dragen en 100 op zijn linkervoorbeen.

Gevolgen

Een paard dat verticaal scheef loopt zal ongewenst versnellen:

  • Als een snel lopend paard zijn verticale evenwicht verliest, dan wordt zijn balans volledig verstoord. Het rode paard kan alleen zijn balans houden op grote voltes als hij veel snelheid maakt.
  • Als het paard in evenwicht is, is het mogelijk om de grenzen in het werk te verleggen. Het groene paard houdt in elke oefening balans en kan de kleinste voltes maken en zelfs een galoppirouette uitvoeren.

 

Vergelijk dit met een motorfiets: hoe hoger de snelheid, hoe platter door de bocht.

8. Onder-boven

 

 

Als deze scheefheid niet wordt opgelost dan vind er een grote disbalans plaats tussen boven – en onderlijn.  Het paard gaat zijn bovenlijn spannen en maakt daardoor zijn rugspieren kort en stug.


Een harde rug cq korte bovenlijn zorgt voor veel ”problemen”:

  • Niet nageeflijk zijn, een paard dat hard is in de mond is altijd hard in zijn rug
  • Onderhals
  • Schudden met hoofd
  • Tandenknarsen
  • Niet willen halsstrekken
  • De ruiter niet laten doorzitten
  • Telgang
  • Dribbelen
  • Flegmatiek, stroperig lopen
  • Korte passen
  • Taktfouten
  • Teugelkreupel
  • Onregelmatigheid
  • Kissing spines
  • Staken, bokken, steigeren
  • Nerveusiteit: Een paard met een korte bovenlijn heeft altijd een houding van ”paraatheid” en is als het ware ”klaar om te vluchten”. Dat maakt dat deze paarden vaak kijkerig zijn. Spanning in het lijf zorgt voor spanning tussen de oren.
  • Slechte vacht: als de rugbespiering zich steeds meer verkort wordt de doorbloeding gereduceerd. De stofwisseling verslechterd, waardoor de vacht dof kan worden.

Hoe gaan we rechtrichten?

Over het algemeen wordt rechtrichten verward het rechtuit rijden. Maar het rechtrichten zoals wij dat gebruiken is juist het tegenovergestelde. Wij rechten recht door buigingsarbeid. Door het rechtrichtende buigingsarbeid komt het paard symmetrisch in zijn lijf en in zijn bewegingen.

De rechtrichtende buigingsoefeningen die wij gebruiken, zowel aan de hand als rijdend, zijn:

a. schouderbinnenwaarts,    b. travers         c. renvers                        d. appuyeren

Deze zijgangen zijn geen doel op zich. Het is rechtrichtende buigingsarbeid dat een een middel is die leidt tot het doel: een soepel, buigzaam en wendbaar en bovenal rechtgericht paard dat symmetrisch is ontwikkeld in lijf en ledematen.

De rechtrichtende buigingsoefeningen geven weer ”hoe” u het paard kunt rechtrichten.

De volte is de eerste oefening van het rechtrichten. Daarmee worden de drie eerste tredes van het rechtrichten gerealiseerd

1. Lengtebuiging

De eerste stap is het paard gelijkmatig te laten inbuigen naar links en naar rechts. Met lengtebuiging wordt bedoeld de zoveel mogelijk gelijkmatige en doorgaande zijdelingse welving in de wervelkolom van de 1e halswervel tot de laatste staartwervel.De volte is hier een goede oefening voor. Door de korte spieren te rekken en de lange spieren te laten aanspannen, kan het paard op beide zijdes de juiste lengtebuiging aannemen en de volte kogelrond lopen.

 

2. Ondertreden

Als het paard zich correct laat inbuigen, komt de binnenheup van het paard naar voren, zodat het binnenachterbeen onder de massa c.q. het zwaartepunt geplaatst wordt.

Bij correcte buiging komen de binnenachterbenen dichter naar elkaar toe en de buitenkant van het paard rekt en strekt zich, de binnenkant spant zich aan.

 

 

3. Voorwaarts neerwaarts

Door het stretchen van de buitenkant van het lichaam, wordt de rugspier aan die kant lang. Een lange rugspier kan het hoofd niet omhoog houden, waardoor het paard zijn hals als ware laat “vallen”. Als het paard zijn rug los laat, kan het paard zijn hals voorwaarts neerwaarts laten zakken.

Z-Nolinde  voorwaartsneerwaart op de volte. 

 

 

 


 

4. Buiging binnenachterbeen

Forastero in schouderbinnenwaarts.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

5. Buiging  buitenachterbeen

Forastero in travers.

 

 

 

De travers is verder een goede basis en voorbereiding op de pirouette, het appuyement en de galopwissel:

  • Als de travers op een steeds kleinere volte gereden wordt, dan onstaat een pirouette.
  • Als de travers op de diagonaal gereden wordt, ontstaat het appuyement.
  • Als het paard in galop van links travers naar rechts travers gesteld wordt, ontstaat de galopwissel.

De renvers, het appuyeren en (werk)pirouettes zijn van de travers afgeleid en vallen ook onder de rechtrichtende buigingsarbeid.

 

 

Schweppes in renvers Schweppes in appuyement

 

 

 

6. Buiging beide achterbenen

Schweppes in Piaff.